Sunday, May 24, 2026

Was muziek vroeger complexer? [Dutch]

Foto’s Getty Images, uit het besproken NRC artikel.
Hoe je muziek representeert op een manier die werkelijk iets zegt over haar structuur en ervaring, is al decennialang een centraal probleem binnen de muziektheorie, cognitieve musicologie en computationele muziekwetenschap. Wie ooit een ISMIR- of ICMPC-conferentie heeft bezocht, weet hoe principieel die vraag is: elke representatie (denk bijvoorbeeld aan de westerse muzieknotatie) maakt sommige eigenschappen zichtbaar en duwt andere naar de achtergrond. Wat een model kan vinden, hangt rechtstreeks samen met wat je vooraf besluit als muziek te coderen.

MIDI is daarvan misschien wel het bekendste voorbeeld. Het is in de jaren tachtig ontwikkeld als praktisch communicatieprotocol voor elektronische toetsinstrumenten — synthesizers, keyboards, digitale piano’s: welke toets wordt wanneer ingedrukt, hoe hard, en hoe lang. Een pianouitvoering is er goed mee te vast te leggen en te repliceren, maar het is natuurlijk alles behalve een realistische afspiegeling van hoe muziek gehoord, onthouden, gemaakt of gewaardeerd wordt.
 
Tegen die achtergrond leest het artikel in Scientific Reports, dat deze week in de wetenschapsbijlage van het NRC werd besproken, als een technologisch indrukwekkende, maar theoretisch opvallend naïeve exercitie. De auteurs analyseerden zo’n twintigduizend MIDI-bestanden met behulp van netwerkanalyse, waarbij noten worden voorgesteld als knopen en overgangen tussen noten als verbindingen. Het resultaat oogt mathematisch elegant. Alleen: de muzikale werkelijkheid waarop die elegantie zou moeten slaan, is onderweg grotendeels verdwenen.

Want wat hier “muzikale complexiteit” heet, blijkt in feite vooral variatie in toonhoogteovergangen te meten (welke toets werd na een voorgaande toets ingedrukt). Ritme, metrum, dynamiek, articulatie, timbre, meerstemmingheid, vormopbouw — de dimensies waarin veel muziek haar spanning, identiteit en emotionele werking ontleent — spelen nauwelijks of geen rol. Een Bach-fuga, een Javaanse gamelancompositie of een solo van John Coltrane zijn hopeloos verloren.

Dat is geen onschuldige vereenvoudiging. Het bepaalt direct welke conclusies je überhaupt kunt trekken. Wie muziek reduceert tot toonhoogtenetwerken, zal uiteindelijk vooral patronen in toonhoogtenetwerken ontdekken. Dat klinkt triviaal, maar precies die cirkelredenering sluipt hier voortdurend binnen.

Ook het gebruik van MIDI-data zelf wringt. Partituurachtige invoer en expressieve uitvoeringen worden vrijwel identiek behandeld, waardoor rubato, microtiming en uitvoeringsnuance effectief worden weggefilterd. Polyfonie wordt bovendien teruggebracht tot opeenvolgingen van nootclusters, zonder serieuze modellering van stemvoering, contrapunt of harmonische functie. Muziek wordt daarmee behandeld alsof zij primair een lineair pad door toonhoogteruimte is. Een opmerkelijke aanname voor een studie die pretendeert iets algemeens te zeggen over muzikale evolutie.

De omgang met transpositie maakt het probleem nog scherper. De kernnetwerken zijn gebaseerd op absolute toonhoogtes, terwijl slechts een deel van de embeddings intervalrelaties transpositie-invariant behandelt. Daarmee raakt het model verstrikt in een van de oudste inzichten uit de muziekcognitie: mensen luisteren doorgaans relatief, niet absoluut. Een melodie blijft herkenbaar wanneer zij een toon hoger wordt gespeeld. Het model lijkt dat inzicht maar half te begrijpen.

Toch trekken de auteurs vervolgens de forse conclusie dat muziek door de tijd heen “eenvoudiger” zou zijn geworden. Dat is een nogal spectaculaire claim voor een analyse die blind blijft voor productie, timbre, ritmische gelaagdheid, studiotechniek en performatieve subtiliteit — kortom: voor vrijwel alles waarin veel hedendaagse muziek juist haar complexiteit organiseert. Misschien is complexiteit helemaal niet verdwenen, maar verplaatst. Van melodische variatie naar klankkleur. Van harmonische modulatie naar microtiming. Van noot naar sound.

En daar wringt uiteindelijk het diepste probleem. Muziek bestaat niet uit symbolen. Een MIDI-bestand is geen muziek, hooguit een recept, een uitvoeringsprotocol (in het geval van een pianouitvoering). Wie de geschiedenis van muziek probeert te begrijpen via zulke abstracties, loopt het risico hetzelfde te doen als iemand die de evolutie van spreektaal reconstrueert op basis van spreadsheets met letterfrequenties. Je vindt ongetwijfeld patronen. Maar de stem zelf — timing, intonatie, aarzeling, nadruk, ademhaling — is dan al verdwenen voordat de analyse begint.

Referenties
Di Marco, N., Loru, E., Galeazzi, A. et al. (2026). Decoding the evolution of melodic and harmonic structure of Western music through the lens of network science. Sci Rep 16, 11121. https://doi.org/10.1038/s41598-026-42872-7

No comments:

Post a Comment