Wie naar de oorsprong van muziek vraagt, is lange tijd vooral op speculatie aangewezen geweest. Muziek en ons muzikale brein laten immers geen fossiele sporen na. Daardoor leek die vraag lange tijd nauwelijks empirisch te onderzoeken. Theorieën zijn er in overvloed: bij Rousseau, Darwin, Dissanayake en Pinker vinden we uiteenlopende verklaringen voor het ontstaan van muziek. Maar hoe die theorieën empirisch kunnen worden getoetst, en welke bevindingen ze ondersteunen of juist falsificeren, bleef vaak onduidelijk.
Deze wat pessimistische visie klinkt tot op de dag van vandaag door. Eind vorig jaar publiceerden Ghazanfar en Steingo — een neurowetenschapper en een etnomusicoloog, beiden verbonden aan Princeton University — in Science een kritisch opiniestuk. Volgens hen steunt onderzoek naar de evolutionaire oorsprong van muziek, bij gebrek aan overtuigend fossiel of archeologisch bewijs, nog evenzeer op speculatie als in de negentiende eeuw. Ze schreven: “21st-century researchers rely as much on conjecture as they did in Darwin and Spencer’s time.”
Zijn we echt zo weinig opgeschoten sinds Darwin? Worden de nieuwe inzichten van de afgelopen decennia hier wel op waarde geschat? In m'n afscheidsrede zal ik de balans op maken: wat weten we inmiddels over de vermogens die muziek mogelijk maken, en wat leert dat ons over hun evolutionaire oorsprong?
Deze tekst vormt de opening van mijn afscheidsrede Uitvogelen. Over de oorsprong van muziek, die ik op vrijdag 4 december 2026 zal uitspreken in de Aula van de Universiteit van Amsterdam. De rede verschijnt ook als een fraai vormgegeven boekje, dat na afloop gratis verkrijgbaar is. Meer informatie vind je hier.
